Jobcreatie zonder groeidynamiek
Ondanks een zwakke economische groei blijft ook in 2026 het aantal jobs in de Belgische economie toenemen, zij het in beperkte mate. Tegelijk geeft de kmo-werkbarometer van Acerta, Etion en VKW-Limburg aan dat een recordaantal ondernemingen vreest dit jaar mensen te moeten ontslaan. Deze tegenstrijdigheid is slechts schijn en een gevolg van dieperliggende structurele factoren op onze arbeidsmarkt.
In de barometer van Acerta, Etion en VKW-Limburg vreest 17% dat ze werknemers met een contract van onbepaalde duur zullen moeten ontslaan tijdens de eerste helft van 2026. Daarbovenop vreest 1 op de 10 respondenten (9,5%) ook contracten van bepaalde duur niet te zullen verlengen. Sinds de oorlog in Oekraïne uitbrak, zijn dit de hoogst gemeten percentages in onze barometer.
Hoewel deze cijfers nog niet dramatisch klinken, lijken ze te contrasteren met de bevindingen van de Nationale Bank en het Planbureau. Volgens hen zouden er tot 2028 jaarlijks nog ongeveer 30.000 jobs zullen bijkomen, ook dit jaar. Die tegenstrijdigheid is slechts schijn want de jobcreatie is niet conjunctureel maar structureel. Drie mechanismen maken dit concreet.
Drie mechanismen
Ten eerste, de arbeidsmarkt blijft kampen met structurele krapte. Die is vooral demografisch gedreven. Voor elke 10 werknemers die de arbeidsmarkt verlaten als gevolg van pensionering, komen amper 8 nieuwkomers. Ook de instroom van migratie kan het verschil tussen in en uit niet compenseren. Bedrijven weten dit en houden daarom personeel, waarover ze tevreden zijn, zo lang mogelijk op de payroll, zelfs wanneer de economische groei lager uitvalt of tegenzit.
De bouwsector kreunt onder de hoge onzekerheid en hogere rentevoeten.
Een tweede nuance volgt uit de sectorale verschillen. De jobcreatie zit bijna volledig in sectoren die op de binnenlandse markt zijn gericht zoals zorg, persoonlijk diensten, welzijn, recreatie, onderwijs en overheid. Dat zijn activiteiten die veel minder afhankelijk zijn van export en de internationale concurrentiepositie van onze economie. Dit in tegenstelling tot de industrie waar energieprijzen en loonkosten die positie zwaar onder druk zetten en momenteel jobs verdwijnen. Ook de bouwsector kreunt onder de hoge onzekerheid en hogere rentevoeten. De jobcreatie in de dienstensectoren is tot op heden echter nog steeds groter dan het verlies in de industrie en de bouwsector.
Een derde mechanisme hangt samen met het tweede. De Vlaamse en Belgische welvaartstaat kon de conjuncturele schokken de voorbije jaren grotendeels weg socialiseren. Zorgsectoren, onderwijs en administratieve diensten zijn grotendeels gesubsidieerd. De toelagen zijn bovendien geïndexeerd. De lage productiviteitsgroei in deze sectoren gaat gepaard met een hoge arbeidsintensiteit. Een toename van de vraag naar zorg, bijvoorbeeld als gevolg van vergrijzing, leidt automatisch tot meer jobs. Op die manier vangt de overheid de conjuncturele schokken op met een structurele groei van de uitgaven.
Beleidskeuze
Onnodig om te zeggen dat deze gang van zaken zich vertaalt in een al even automatische verdere verslechtering van onze openbare financiën. Het huidige hoge tekort is een gevolg van beleidskeuzes in de voorbije jaren. De vergrijzing zal dit probleem verder versterken. De oplopende zorg- en gezondheidskosten fungeren als een demografische teller die automatisch blijft doorlopen en de begroting jaarlijks met ongeveer 0,2 procentpunt bbp extra onder druk zet.
Ons land creëert jobs in niet-marktsectoren en verliest jobs in sectoren die de toekomstige groei zouden moeten dragen. Onze jobcreatie is er niet omdat onze economie sterk is maar omdat ze demografisch noodzakelijk wordt gemaakt en institutioneel beschermd wordt door een sociale zekerheid die daardoor onder druk komt te staan.
Resultaten KMO-werkbarometer
De resultaten van onze kmo-werkbarometer illustreren dit treffend: hoewel macro-data tewerkstellingsgroei projecteren, reageren ondernemingen voorzichtig en proactief. Ze maken een omslag naar een voorzichtiger personeelsbeleid door geschikt personeel aan zich te binden en tijdelijke contracten waar mogelijk niet te verlengen. Ondertussen beperken ze hun risico’s en stellen ze uitbreidingsinvesteringen uit. De focus ligt op rationalisatie-investeringen die arbeidsbesparend werken en de structurele krapte kunnen ondervangen, onder meer door in te zetten op digitalisering en artificiële intelligentie.