rentestijging, grafiek en geld in euro’s
Opinie
5 oktober 2026

Wie koopt straks onze schuld?

Eind september bereikte de Amerikaanse tienjarige rente met 5,25 procent een niveau dat we in bijna een kwarteeuw niet meer hadden gezien. In april 2025 was de kaap van 4,5 procent nog het sein voor Donald Trump om de invoering van zijn importheffingen te pauzeren. Die grens zijn we inmiddels allang gepasseerd. Ook de dertigjarige rente staat op een niveau van ruim voor de financiële crisis.

De prijs van kapitaal

Wat duwt die lange rente zo sterk omhoog? Inflatie is een deel van het antwoord. Aanvankelijk werd die vooral aangejaagd door importheffingen en oplopende begrotingstekorten in de VS. Nu zorgen de oorlog rond Iran en de hoge energieprijzen voor bijkomende inflatiedruk. Maar er speelt meer. Overheden hebben enorme financieringsbehoeften en ook bedrijven vragen steeds meer kapitaal. De AI-investeringsgolf zorgt voor nieuwe kapitaalintensieve concurrentie voor het beschikbare spaargeld.

Tegen de juiste prijs vindt elke obligatie een koper.

Anders gezegd: de wereldwijde vraag naar kapitaal neemt toe en creëert almaar meer schuldpapier dat kopers zoekt. De vraag is niet of iemand die schuld zal kopen. Tegen de juiste prijs vindt elke obligatie een koper. De vraag is welke rente nodig is om die koper te overtuigen in een wereld met steeds minder zekerheden.

Want enkele krachten die dertig jaar lang hielpen om rente en inflatie laag te houden, keren om. Japan was decennialang een exporteur van goedkoop kapitaal. Nu de Japanse rente opnieuw rond 3 procent noteert, wordt beleggen in eigen land aantrekkelijker. Ook de deflatoire invloed van China als fabriek van de wereld neemt af, ondanks alle berichtgeving over Chinese overcapaciteit en dumping.

Waar is het alternatief

Maar wat blijft dan wel overeind? Om te beginnen: de dollar. En dat is opmerkelijk. De Amerikaanse overheidsfinanciën baren beleggers zorgen, waardoor zij een hogere vergoeding eisen om Amerikaanse schuld aan te houden. Toch wint de dollar opnieuw terrein tegenover de euro. Als financieel anker heeft de dollar dus niet afgedaan. De wereld vraagt alleen een hogere prijs om eraan te blijven vastliggen.

Er zijn dan ook niet veel alternatieven. Andere betrouwbare munten steunen op economieën en kapitaalmarkten die te klein zijn om de rol van de dollar over te nemen. Zolang Beijing vasthoudt aan kapitaalcontroles, kan ook de renminbi die rol niet spelen. De wereld kan moeilijk zonder financieel anker en voorlopig blijft de dollar de enige valabele optie. De scheuren in de kademuur beletten niet dat schepen aanleggen wanneer er storm opsteekt.

De Duitse paradox

Nog merkwaardiger wordt het dichter bij huis. Terwijl de Duitse economie kwakkelt, vluchten beleggers naar Duitse staatsobligaties. Het renteverschil tussen Frankrijk en Duitsland is opgelopen tot niveaus die herinneren aan de eurocrisis. België zit met een tienjarige rente van ongeveer 4,4 procent tussen beide landen in. Die tussenpositie is minder benijdenswaardig dan ze oogt. Ook onze rente steeg deze zomer met ongeveer een vol procentpunt, tot het hoogste peil in veertien jaar. Dat roept herinneringen op aan 2011. Ook toen leek onze recordlange regeringsvorming lange tijd nauwelijks indruk te maken op de financiële markten — tot de risicopremie op Belgische schuld begon op te lopen. Staan we opnieuw voor zo’n stresstest?

Duitse staatsobligaties profiteren juist van de onzekerheid. Dat lijkt paradoxaal: de Duitse economie kampt met structureel lage groei en Berlijn gaat aanzienlijk meer lenen. Toch blijft de Duitse ‘Bund’ het Europese anker, niet omdat de Duitse economie zo sterk presteert, maar omdat beleggers Duitse schuld als de minst onveilige keuze beschouwen. De lage Duitse schuldgraad helpt daarbij.

Maar ook die veiligheid is relatief. De Duitse rente is deze zomer eveneens fors gestegen. Hoelang kan Duitsland de zieke man van Europa zijn én tegelijk de financiële veilige haven blijven?

De prijs van geloofwaardigheid

Voor België schuilt hierin een duidelijke waarschuwing. Financiële markten verbinden opnieuw een prijs aan begrotingsgeloofwaardigheid, iets wat we tijdens de jaren van nulrente bijna waren vergeten. Onze overheidsschuld bedraagt meer dan 100 procent van het bbp, ons begrotingstekort behoort tot de grootste in de eurozone en ratingbureaus blijven sceptisch over het vermogen van opeenvolgende regeringen om de schuldgraad duurzaam onder controle te krijgen.

Een land hoeft niet insolvabel te worden voordat slecht begrotingsbeleid geld kost. Het volstaat dat beleggers enkele tientallen basispunten extra rente beginnen te vragen. Die hogere rentelasten vergroten vervolgens het begrotingstekort, waardoor opnieuw meer schuld moet worden uitgegeven.

Wie koopt straks onze schuld? Ook voor België blijft het antwoord eenvoudig. Er zullen kopers zijn, maar niet noodzakelijk tegen de prijs waaraan we gewend zijn geraakt.

geld
financiële markten
maatschappij
beleid

Auteur