Waarom kunnen politici onze problemen niet oplossen?
Het boek Het Betonnen Beleid analyseert helder en leesbaar een aantal blokkerende trends in ons beleid. Bovendien ontmijnt het minstens een polariserende en verlammende discussie tussen een kamp dat overal activistische rechters ziet en een ander kamp dat de schuld legt bij politici, die onduidelijke wetgeving zouden maken. Quinten Jacobs, advocaat grondwettelijk recht en praktijkassistent aan de KU Leuven. argumenteert hoe onze politici én onze rechters eerder de gevolgen dragen van een evolutie in nationale en internationale wetgeving. Hij vertrekt voor ons bij het voorbeeld van de fameuze ethaankraker in de Antwerpse haven, een miljardenproject, dat nu eens vergund werd en dan weer niet. Quinten Jacobs: “In dat dossier spelen de drie factoren die ik schets in mijn boek en die samen de manoeuvreerruimte voor politici verkleinen. De eerste is onze complexe staatsstructuur (zie kader p.70). Door die structuur komen wij moeilijk tot een standpunt op Europees niveau. Ten tweede spelen de Europese regels, die wij moeilijk na verkiezingen kunnen wijzigen door het technocratisch karakter van de EU (zie kader). Ten derde is er een juridische factor, met aan de basis de steeds uitdijende interpretatie van de mensenrechten.”
Het standstill-beginsel
De leek vraagt zich daarbij af wat een ethaankraker te maken heeft met de grondwet of de rechten van de mens? Quinten Jacobs: “Laat me eerst zeggen: gelukkig hebben wij in ons land een scheiding der machten, met een rechterlijke macht, naast een wetgevende en een uitvoerende. De rechterlijke macht in een liberale democratie beschermt minderheden tegen toevallige meerderheden: etnische groepen zouden elkaar wettelijk kunnen uitzuiveren, of de ene religie de andere verbieden, etc. De overheid beslist dus democratisch, maar tegelijk beschermen regels individuele burgers tegen willekeur. Dat is goed en noodzakelijk. Maar sedert een aantal decennia werden die regels ook internationaal en kwamen er steeds meer mensenrechten.”
Een vonnis mag bekritiseerd worden, maar eens het er ligt, moet iedereen het naleven. Ook de overheid.
Zo ratificeerde België in 1948 de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, en in 1955 het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Bovendien zijn Belgische rechters sinds een arrest in 1971 verplicht om Belgische wetgeving te weigeren die in strijd is met die verdragen. Ook een belangrijke evolutie is de oprichting van het Grondwettelijk Hof eind jaren 80, waardoor burgers wetten kunnen laten toetsen aan de grondwet om die vervolgens te laten vernietigen. “Dat gaf de mensenrechten in ons land pas echt tanden.” Quinten Jacobs wijst op een grondwetsherziening uit 1994, die ook voorzag in artikel 23 over het recht van eenieder op een menswaardig leven. “Daaruit leiden rechters het zogenaamde standstill-beginsel af: de overheid mag een bestaand niveau van bescherming van sociale en economische rechten in principe niet afbouwen. Nieuwe wetgeving moet minstens hetzelfde beschermingsniveau bieden, tenzij er een dwingende reden van algemeen belang is om ervan af te wijken. Dat maakt het in de praktijk in bepaalde domeinen moeilijk om te hervormen, bijvoorbeeld om fors te besparen in de sociale zekerheid. Sociale rechten mogen immers in principe niet worden teruggeschroefd. Het Grondwettelijk Hof past dat standstill-principe naar mijn aanvoelen steeds strenger toe. Hetzelfde geldt voor het migratiebeleid of voor het natuurbeleid.
Quinten Jacobs is gastspreker tijdens de Trend Table in Vilvoorde op 16 november. Alle info en inschrijven.
Lees het volledige artikel in het maartnummer van Ondernemen