Energietransitie is een investering
Vier jaar geleden kreeg Europa een harde energieschok te verwerken. De prijzen schoten omhoog, bedrijven zagen hun marges krimpen, gezinnen verloren koopkracht en overheden moesten diep in de buidel tasten. Vier jaar later is daar al de volgende schok, en opnieuw doen we alsof het ons overkomt. In plaats van voluit te investeren in energie-onafhankelijkheid hebben we vooral tijd verloren.
We hebben eindeloos gediscussieerd over de index, over de loonvorming, over compensaties en over de verdeling van de pijn. Allemaal belangrijk, maar het bracht ons niet tot de kern van de zaak. Die kern is onze concurrentiekracht.
In de voorbije vijf jaar betaalde de Europese Unie meer dan 2.000 miljard euro voor de invoer van fossiele brandstoffen. Sinds de oorlog in Oekraïne 700 miljard euro extra. Geld dat weg is. Geld dat we niet in onze eigen economie hebben geïnvesteerd.
Elektrificatie is geen kost
Voor België ligt het nog gevoeliger. Twee derde van onze primaire energiebehoefte steunt nog altijd op fossiele brandstoffen. Ook onze industrie en export hangen sterk samen met ingevoerde olie en gas, vaak als grondstof. Ook voor ons is elektrificatie dus niet alleen een klimaatverhaal. Het is ook een investering in minder kwetsbaarheid en meer concurrentiekracht.
Daarom is het absurd om elektrificatie te blijven voorstellen als een kost. De echte kost is de afhankelijkheid van buitenlandse spelers die met ons dollen als het hun goed uitkomt. Wie alleen naar de factuur van vandaag kijkt, mist de prijs van de kwetsbaarheid morgen.
De echte kost is de afhankelijkheid van buitenlandse spelers die met ons dollen als het hun goed uitkomt.
Ook de framing heeft ons parten gespeeld. Zolang de transitie wordt voorgesteld als iets dat geld kost, krijg je weerstand, uitstel en kortetermijndenken. Het is dan ook niet gelukt om bedrijven en burgers echt mee te krijgen. De transitie is ook onderuitgehaald door politieke verdeeldheid en populisme. Zeker in verkiezingscampagnes bleek het gemakkelijker om angst aan te wakkeren dan om eerlijk uit te leggen waarom investeringen nodig waren.
Noodzakelijke investering
De voorbije jaren is veel tijd verloren gegaan aan uitstel verpakt als visie. Dromen over waterstof. Nostalgie naar de brandstofmotor. Wachten op kernfusie. Alsof de grote doorbraak morgen komt en we daarom vandaag geen keuzes hoeven te maken. Zo verlies je tijd. Ondertussen hebben andere grootmachten hun energie- en industrieel beleid veel strategischer aangepakt. China doet dat al veel langer en bewust met een eigen ‘green deal’.
Wat nu nodig is, is een investeringsprogramma. Niet in alles tegelijk, maar in wat onze afhankelijkheid echt verlaagt: meer zonne- en windenergie, vooral waar die snel op het net kan; veel meer batterijen en flexibiliteit; een snellere uitbouw van distributie- en hoogspanningsnetten, zodat elektrificatie van industrie, vervoer en verwarming niet vastloopt; en gerichte investeringen in industriële elektrificatie, laadinfrastructuur en vraagsturing. Minder geld naar subsidies die vooral tijdelijk de pijn verzachten, meer naar infrastructuur die onze energiefactuur blijvend verlaagt.
Ook in tijden van begrotingsdruk is dat geen luxe. Juist dan moet je het verschil zien tussen uitgaven en investeringen. Niet alles vraagt klassieke subsidies. Veel kan via snellere vergunningen, stabiele spelregels, tarieven die flexibiliteit belonen, langetermijncontracten, gerichte overheidssteun voor netten en opslag, en een fiscaliteit die elektrificatie aantrekkelijker maakt dan fossiel verbruik. De echte besparing zit niet in het uitstellen van de transitie, maar in het afbouwen van een afhankelijkheid die ons al jaren handenvol geld kost.
De vraag is dus niet of we ons die investeringen kunnen veroorloven. De vraag is hoeveel het ons nog zal kosten als we ze opnieuw uitstellen.