China: het probleem is ook deel van de oplossing
Er wordt vandaag veel gesproken over Chinese overcapaciteit en staatsgeleide industriepolitiek. Die vormen wel degelijk een bedreiging voor Europese bedrijven. Chinese producten worden soms aan kunstmatig lage prijzen op onze markt gebracht. Kijk naar de uitdagingen voor onze auto-industrie, ook voor sites als Volvo Gent. Het zou naïef zijn om die concurrentiedruk te minimaliseren. Maar het is even naïef om China daarom simpelweg af te schilderen als economische vijand.
Europa kan China bovendien niet zomaar links laten liggen. Onze economieën zijn daarvoor te sterk met elkaar verweven. In bijna alles wat wij in Europa produceren, zitten Chinese onderdelen, machines, grondstoffen of technologie. China snel uit onze handel knippen, zou ons niet sterker maken. Het zou onze eigen economie beschadigen.
Europa heeft geen China-fobie nodig, maar een China-strategie.
Europa heeft daarom geen China-fobie nodig, maar een China-strategie. Die strategie moet twee dingen tegelijk doen: oneerlijke concurrentie aanpakken én samenwerken waar dat in ons belang is. Dat vraagt om een volwassen vorm van bescherming. Niet om zwakke sectoren kunstmatig in leven te houden, maar om belangrijke toekomstsectoren tijd te geven zich aan te passen.
Denk aan batterijen, elektrische voertuigen, zonnepanelen, windtechnologie, kritieke grondstoffen en digitale infrastructuur. In die sectoren is Chinese dumping geen theoretisch probleem, maar een concrete bedreiging voor onze industriële basis. Daar moet Europa durven ingrijpen met gerichte maatregelen tegen dumping, strengere regels voor overheidscontracten, lokale productievoorwaarden en eigen investeringen.
Nieuwe spelregels
Maar bescherming zonder richting is zinloos. Het doel kan niet zijn om de klassieke verbrandingsmotor nog tien jaar kunstmatig te rekken. De toekomst ligt in batterijen, elektrische aandrijving, software, laadinfrastructuur, recyclage en goedkope duurzame energie. Het komt er dus op neer om met China nieuwe spelregels af te spreken.
Voor elektrische voertuigen moeten we niet alleen kijken naar invoertarieven. We moeten ook afspraken maken over industriële samenwerking en over de uitbouw van een Europese batterijsector. Chinese investeringen kunnen welkom zijn, maar dan onder duidelijke voorwaarden: productie in Europa, jobs hier, eerlijke concurrentie, openheid over subsidies en toegang tot technologie.
Ook in hernieuwbare energie is samenwerking nodig. Europa heeft goedkope zonnepanelen, batterijen en nettechnologie nodig om minder afhankelijk te worden van olie en gas. Maar we mogen niet opnieuw een volledige industriële keten uit handen geven. Overheden mogen bij grote contracten dus niet alleen naar de laagste prijs kijken. Ze moeten ook rekening houden met productie in Europa, leveringszekerheid, recyclage en cyberveiligheid.
Hetzelfde geldt voor kritieke grondstoffen. China domineert niet alleen de mijnbouw, maar vooral de verwerking ervan. Europa moet daar eigen capaciteit opbouwen. Tegelijk kunnen we afspraken maken met Chinese spelers over verwerking, recyclage en productie op Europese bodem. Niet uit naïviteit, maar omdat tijd ook een strategische factor is.
Concurrent én partner
Wie China recent heeft bezocht, weet dat zijn economische basis niet langer kan worden genegeerd. Met bedrijven zoals BYD, CATL, Huawei, XPeng, UBTech Robotics en Alibaba zet China de toon in elektrische mobiliteit, batterijen, digitalisering, robotica en industriële innovatie. Dat is bedreigend, maar ook leerzaam.
Een volwassen houding tegenover China betekent dat we het land tegelijk als concurrent én als mogelijke partner moeten zien. Ons volledig loskoppelen van China klinkt stoer, maar is economisch onrealistisch. Blind opengooien is even dom. De juiste lijn is selectieve bescherming, gekoppeld aan harde onderhandelingen. Zo wordt China niet alleen een probleem voor Europa, maar ook deel van de oplossing.